Familiedag met de Bargers

Dju. Wat een takkkeherrie. En wat een koppijn. Marinus veegde een klodder speeksel van zijn mondhoek weg en grabbelde naar zijn broek. Puur op gevoel zocht hij zijn rinkelende telefoon in zijn broekzak. Hm, andere broekzak. Zijn ogen opendoen kon altijd nog. Later. Eerst wennen aan het licht wat tussen de gordijnen door sijpelde, elke seconde uitstel telde op zo’n ochtend.

Trouwens, een wonder dat zijn gsm nog genoeg batterij had voor die brute beltoon: het was weer laat vannacht. Nouja, weer. Eerder de vraag wie er zo vroeg al energie had om te bellen. Iedereen die hij kende was ook in de kroeg.

Hebbes.
Kak.
Familie Barger.

Ma.

Familie Barger, familie… Maar het was alleen zijn ma. Pa was er niet meer. Verdwenen toen hij jong was, wanneer precies en hoe kon hij zich niet herinneren. Weer die koppijn, van dat nadenken kreeg hij steken. Marinus drukte de telefoon weg, begroef zijn hoofd in het vettige kussen. Hij rook het zweet, de muffe lucht van een bed wat hoognodig verschoond moest worden. Geen lucht die hij in zijn huidige staat kon gebruiken. Niet bepaald nee. Zo snel was hij nog nooit opgestaan en naar de wc gerend.

Ondertussen rinkelde zijn gsm opnieuw. Hij was net op tijd terug en probeerde zijn naam te zeggen. Er kwam alleen een gruwelijke rochel de wereld ingeslingerd. Fijn. Dat was nou ook weer niet de bedoeling. Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn. ‘Alles goed jong? Vergeet je niet de trein te pakken zo, dan pik ik je over dik twee uur op het station hier op.’ 

Familiedag. Dat was vandaag ja. Geen idee hoe laat het was en waarom hij zich deze keer heeft laten overtuigen te komen. Waarschijnlijk geld, of in elk geval gratis eten, nooit weg. Hij kon zijn geld wel beter gebruiken dan om uit te geven in de supermarkt. Of aan een treinkaartje. Zijn ma had hem door en zo’n NS-dagkaart van de Kruidvat gestuurd. Het excuus van ‘OV-chipkaart kapot’ werkte dit jaar dus niet.

Verzinnering klootschieten

Verzinnering: Kloten

En nu? Douchen of niet? Gevaar bestond dat de daarvoor gewenste verticale positie nog wel wat ellende met zich mee zou brengen. Tijd voor een eventueel nodige schoonmaak als het mis ging was er niet. Hij had een trein te halen. Naar de Achterhoek. Zijn roots. Familie. Wat dat ook moge betekenen, Marinus was op de dag van zijn 18e verjaardag vertrokken uit dat verre stukje Nederland. Boos omdat hij in een tehuis zat, maar eigenlijk gewoon op zoek naar iemand. Een vader. Ondertussen had hij zijn plekje wel gevonden in de stad en leefde van nacht tot nacht.

Weer dat takkegeluid van zijn telefoon, dit keer vlakbij zijn oor. Weer een slijmspoor bij zijn mondhoek. History repeats itself. Zijn hoofd knalde uit elkaar, maar deze keer ook doordat zijn slapen tegen het raam van de trein was geplakt. Kak. Ma. Weer. Of hij er al bijna was. Geen idee. Hoogstens te ver, te laat uitgestapt. Hij keek uit het raam en zag vooral groen.

Gelukkig had de trein een scherm in de coupe met daarop het volgende station weergegeven. De trein was verder leeg. ‘Ja ma, je belde ook al toen ik instapte, dus nog een half uur’. En een half uur slapen tot dat familieweekend. En het was onbekend wat ze gingen doen. En waarom dat al zo vroeg moest. De trein reed het stationnetje binnen en hij zag zijn ma bij een auto staan. Ze werd oud.

Weinig te zeggen, Marinus keek slaperig uit het autoraampje. ‘Moe van de treinreis?’  Zijn ma moest eens weten. Het moed indrinken van de nacht daarvoor was eerder. Hij had niks met zijn verleden. Ze reden een stukje het dorp in. Gelukkig reed ma zoals het hoort voor een oude dame. Traag. Mooi, want veel beweging kon hij niet hebben.

‘We zijn er.’

Marinus keek op. Een groepje mensen stond bij een kapelletje. Dat zal dan zijn familie wel zijn. Weilanden. Wat bomen. Zandweggetje. Zijn hart sloeg over. Hier kwam hij vroeger met zijn pa. Oefenen op het klootschieten. Het enige wat hij miste in de stad. Buiten zijn. Lange dagen met zijn pa. Verhalen. En soms niet. Soms ruzie, steeds vaker toen hij wat ouder werd. Hij was ooit zo woedend geworden dat hij een kloot naar zijn pa had gegooid. Weer die hoofdpijn, hij sloot zijn ogen. Niet aan denken nu.

Hij gaf wat handen. Aan ooms die hij herkende en aan ooms die hij niet meer herkende. Sommige tantes gaven hem een knuffel, anderen bleven op een afstand. Misschien was hij voor hen ook een onbekende, hoogstens een flard uit het verleden, herkenbaar aan dezelfde oren en oogopslag. Hij ging van hand naar hand, door en door, nergens te lang blijven praten. Snel beginnen aan het spel. Hij was het vast niet verleerd.

De kloten vlogen de baan over, evenals de flessen kruidenbitter. Na elke worp een neut en Marinus nam er twee. De verhalen kwamen al wat makkelijker en gingen nergens meer over. Ook de kloot ging al wat wat minder recht en ver. Natuurlijk vloog uiteindelijk ook zijn worp het struikgewas in.

Marinus ging de kloot achterna, blij even weg te zijn uit de groep. Hij vond ‘m al snel. Of niet? Deze bal was anders, verweerd, kapot, gespleten door weer en wind. Hij kende ‘m wel. De kloot van zijn pa. Waar ze bijna elk weekend mee oefenden. Steeds verder, harder. Zijn hoofd begon weer te bonken. Tranen.  Herinneringen.

Verdwaasd kroop hij verder, verder weg van het zandpad met zijn familie. Weg nu. Hij voelde de doorns van de braamstruiken krassen in zijn gezicht. Ze prikten dwars door zijn broek heen maar het kon hem niet schelen. Zijn hand bloedden ook van het kruipen en wegduwen van de takken, de kloot nog stevig vastgeklampt. Hij keek naar de rode kleur op de oude houten bal. Zijn hoofd leek uit elkaar te spatten, hij zag het gezicht van zijn pa voorbij schieten. Met zijn mouw veegde Marinus de tranen uit zijn ogen en keek om zich een. Hij verstijfde. Kleren. Botten.

Deze verzonnen herinnering hoort bij de reeks Verzinneringen.

Geef een reactie