Kerstverhaal: Door het ijs gezakt

Samen met zijn collega´s liep hij de poort uit, op weg naar huis. Niet iedereen was er: sommige van zijn maten waren vandaag niet op komen dagen. Van twee van hen wist hij dat ze zich ziek hadden gemeld. Dat deed niemand graag. Ziek zijn betekende geen geld, en als de baas erachter kwam… Hijzelf had ook een verkoudheid.  Opgelopen door het dagelijks heen en weer ploeteren naar de fabriek, dwars door het gure winterweer. Helemaal op zo’n dag als vandaag, de laatste dag voor kerst. De directeur had niets met de feestdagen en wilde dat ze gewoon doorwerkten tot kerstavond. Niemand mocht eerder naar huis, laat staan dat er een borreltje was. 

Hij keek omhoog, en zag nog licht branden vanuit de directiekamer. Natuurlijk. Die man was zelf sowieso als laatste weg. Als hij Strijp S ooit verliet. De ploert. Hij had geen familie meer. Of althans, geen familie die hem nog wilde zien. Gerucht ging dat hij wel een dochter had, haar moeder op het kraambed overleden. Het meisje was als baby door de Franse zusters  meegenomen: een kerel alleen kon geen meid opvoeden. Dat hij daarom alleen maar aan het werk was, uit verdriet. Sneu. Ach, het zou ook kunnen dattie uit de hel kwam. Slavendrijver.

‘Jannes! Tot volgende week jochie! Groeten aan Mathilde! Misschien wordt het wel een kerstkindje!’ Henk, zijn voorman binnen de fabriek, sloeg hem al fietsend tegen zijn schouder. Die was zo thuis, Jannes mocht nog even een stukje lopen. Langs de Lichttoren, door het centrum en naar het kanaal.  En dan op de schaats, scheelde toch weer een flinke wandeling terug naar Tongelre. Dat was dat ook het enige mazzeltje aan deze ijskoude winter, meestal bleef het Eindhovens kanaal ijsvrij door de stoomboten die de stad in bloei steeds vaker aandeden.

Hij twijfelde nog even, een neut bij het café aan het havenhoofd om op te warmen? Maar nee, snel de schaatsen onderbinden en het ijs op. Naar huis. Zelfs zijn oom uit Drenthe was op bezoek deze kerst. Zijn pa & ma hadden hem al een paar jaar niet meer gezien, sinds het vertrek naar Eindhoven, op zoek naar werk. Het was al donker, toen hij het ijs opstapte. Hij hoorde de verse sneeuw knisperen onder de ijzers. Echt lekker schaatste het niet. Op tijd het ijs af, dacht hij, als hij bij de hefbrug kwam, nu hij geen scheuren of zelfs wakken kon zien. Desnoods warmde hij daar even op bij café Reemers.

Hij was de enige op het ijs, het was al laat en pikdonker. Hij keek om. In de verte zag hij alleen de koplampen van een auto. Kon niet missen dat die van de directeur was. Hij zag hem wel eens rijden, op weg naar huis. Ergens in het villapark bij De Laak. Hij was bijna bij de hefbrug, snel de kant weer op en een stukje klunen…

Friese doorlopers

Friese doorlopers

 

De directeur reed langs het havenhoofd, op weg naar huis. Hij woonde vlakbij de Laak. Deze route was iets om, maar hij keek graag naar het laden en lossen. Nu was er weinig te zien. Wat rumoer in ‘t café, maar geen schepen vanwege het ijs. Hij reed weer verder. In de verte zag hij een vage schim in de mist.

En toen niet meer. Hij vertraagde en stuurde zijn auto richting de kade. De koplampen schenen over het ijs, richting de hefbrug. Ja, toch, hij zag wat. Een hoofd, een zwaaiende arm. Iemand was door het ijs gezakt, de arme sloeber! Hij sprong de auto uit en ging op de grond liggen. ‘Man, steek je arm uit!‘ Hij voelde de kou van de grond door zijn jas heen. Als het maar lukte, en snel. Hij voelde een hand om zijn arm. En nog een. Hij sjorde en trok. Twee angstige ogen keken hem aan, sprakeloos. Hij viel achterover toen de man aan wal was. Jannes bibberde van de kou. Of angst. Hij wist niet wat hij zag: De directeur. De directeur had hem gered! ‘Kom, snel de auto in. Hierbuiten vries je dood in die natte kleren’. Jannes stamelde wat en stapte rillend en bevend in.

De directeur bracht hem thuis, achteraan in Tongelre. Jannes’ pa deed open. Hij keek naar Jannes, toen naar de directeur en was even stil. Die man kende iedereen. ‘Ma! Jannes is door het ijs gezakt. Water koken, kleren, snel.’ Jannes schoot naar binnen. De directeur stond nog bij de deur. Nog voor hij kon omdraaien werd hij het huisje in getrokken. ‘Nee held, zo makkelijk kom je hier niet weg’. 

In vaders stoel, dicht bij de buiskachel, kreeg de directeur wat te drinken. Held? Zo had hij er zelf niet eens over nagedacht. Of bedoelde hij wat anders? Wisten ze wie hij was? Hij keek om zich heen. Klein huisje. Jannes en zijn ma waren naar achteren, maar er waren nog meer mensen. En een gedekte tafel, op de buis stonden pannen. Kerstavond, diner. Hij kon het nog herinneren van vroeger. Samen met zijn vrouw, dromen over de toekomst. Kinderen, en uiteindelijk kleinkinderen. Het mocht niet zo zijn. Hij was stil.

Iedereen was stil. Jannes’ pa liep naar een hoek in de kamer. ‘Mathilde, wordt eens wakker?’  Daar was nog iemand, een vrouw. Ze stond moeilijk op, zwanger. Dat was vast de vrouw van Jannes, bedacht de directeur. Mathilde keek rond en zag de directeur. Ze keek verbaasd. Wat deed hij hier? Waar was Jannes? ‘Mathilde, alles gebeurt met een reden’, zei Jannes Pa. Hij rommelde wat in een la. ‘Jannes is in het washok en komt zo. Maar maak eerst deze brief open’. Mathilde kreeg een vergeelde envelop aangereikt. De brief was verzegeld met een rood zegel met een kruis erin. Het zegel van de Franse zusters. Een beetje bibberend maakte ze hem open en las. Een traan rolde over haar wang. De brief viel uit haar handen. Ze keek naar de directeur.

Ze snikte.

Papa?’

Deze verzonnen herinnering hoort bij de reeks Verzinneringen.

Geef een reactie