Samen alleen

Vind je het erg als ik hier blijf zitten? Ik kan niet zo heel goed tegen deze sfeer… Karel stopte en staarde de gang in. We stonden samen stil vlakbij de ziekenzaal waar we dagelijks kwamen. In de verte leken wat voetstappen te klinken, maar verder was er geen geluid. Dat was vreemd, in een gebouw als dit, groot en vol mensen. Het kan ook zijn dat het aan mij lag, zo gebrand om me niet te laten kennen dat ik geen aandacht had voor de wereld om me heen. 

Dat was dus mislukt. Held dat ik was. Vijf minuten binnen in een ziekenhuis en al zwakke knieën! Elke dag weer en Karel zei er nooit iets van. Even doorbijten. Rustig aan, bijna bij de wachtkamer. Mijn vaste plek bij ons bezoek. Gelukkig hoefde ik dus niet per se mee de zaal in, en was vooral meegegaan voor mijn vriend Karel. De persoon binnen in de zaal kende ik niet, ik had geen reden om hem lastig te vallen met mijn kleine leed. Hij had vast genoeg aan zichzelf. Ik zag de tranen in Karels ogen als hij de zaal weer uitkwam. Elke dag weer.

Ook vandaag liep Karel de ziekenzaal alleen  in en ik ging zitten op de stoelen in de gang. Altijd rechts op een rijtje van drie stoelen, zodat er ook nog iemand helemaal links kon gaan zitten. Niet gedwongen ongemakkelijk verplicht naast elkaar. Op het tafeltje lag geen enkel tijdschrift vandaag. Maakte ook niets uit, dat waren meestal oude roddelbladen van een paar jaar terug. Ze vielen altijd haast uit elkaar van het vele bladeren door de lezers. Die bekeken de bladen vaak zonder ook maar iets echt te lezen, puur een ritueel tijdverdrijf. Sommige mensen hielden ze alleen maar vast, met omgekrulde hoeken tot gevolg. Een verkrampte poging om ergens anders aan te denken en maar niet te hoeven praten met diegene op de stoel naast je. Samen alleen.

Wachtkamerstoelen

Verzinnering 6: Wachtkamerstoelen

Ken je hem, daarbinnen?

Ik keek verschrikt op. Ongezien was er toch iemand op een van de twee overgebleven stoelen gaan zitten. Hij legde een tijdschrift weg en keek in de richting van de zaal.

Ehm, nee… Ik ben mee voor een vriend, die kent hem wel…

De man zweeg gelukkig. Zo zaten we even samen alleen. Ik en de onbekende. Alhoewel, even, ik was alle besef van tijd verloren. Karel was ook nog niet terug. Een stilte. Ik keek opzij en zag dat de man er niet meer zat. Helemaal niet gemerkt dat hij weg was gegaan. Het tijdschrift lag er nog wel. Het leek nieuw, een glossy. Geen omgevouwen hoekjes of gescheurde kaft. Dat had hij vast net gekocht en nu vergeten mee terug te nemen.

Op de cover een beeld van menselijke hersenen, met een paar plekken uitgelicht met kleine tekstjes erbij. Het was een blad over populaire wetenschap, met een special over het menselijk brein. Ik begon te bladeren. Uit. Ik had mijn aandacht er niet bij. Precies zoals ik anderen had zien doen, een ritueel om de tijd te verdrijven. Hoe zou het binnen zijn? Zou Karel mijn hulp nodig hebben? Ik stond op en liep naar de deur. Voorzichtig, op een kier, maar binnen was het stil. Ook daar was iedereen samen alleen. Ik rilde. Snel ging ik weer zitten. Dit was mijn plek.

In het tijdschrift viel mijn oog op een foto van een ziekenhuiskamer. Het zou de zaal tegenover me kunnen zijn. Een hoog bed, wat apparaten met groene schermen, veel slangen verbonden aan iemand die op dat bed lag. Je hoorde de piepjes van de machines haast van het papier af komen. Die beelden kende je zo goed van films en series. Grey’s Anatomy. Of mijn favoriet House M.D.: Lekker cynisch, geen soap-achtige liefdesperikelen en dwars van esoterie. Probleem, analyse, testen, oplossing. Het maakte het leven eigenlijk zo simpel. Met goed nadenken kwam je een heel eind. Al was het in House ook vaak een beetje geluk, intuïtie en ook gokken als de tijd begon te dringen. Geen echte keuze.

Het artikel wat me opviel ging over coma. Wat het was, wat mensen die ontwaakten uit coma aangaven beleefd te hebben. Volgens de schermpjes van die aangesloten apparaten waren ze haast hersendood, maar zelf wisten ze veel te vertellen over wat er om hen heen gebeurd was. Of dat echt zo was of gewoon hun fantasie die begon te malen, het blad hield het op het laatste. Zoals bij een levendige droom. Misschien was het ook wel hun wens. Soort ontkennen dat ze echt zoveel maanden ‘ergens anders’ waren en nooit echt het bewustzijn hadden verloren.

Ook een verhaal van iemand die buiten zijn lichaam getreden was. Dat hij naar zijn eigen bewegingloze lichaam stond te kijken, en naar de mensen om hem heen. Dat hij ze troostte door wat in hun oor te fluisteren en toen besloot wakker te worden door weer op zijn eigen lichaam te gaan liggen. Zijn eigen keuze, omdat zijn leven nog niet af was. Dat klonk als een mooi verhaal. Alsof je zelf die keuze had, zolang je lichaam nog niet hersteld was van waarom je überhaupt in die coma lag. Dat was niet voor niks. Een ongeluk of ziekte.

Ik staarde naar de deur. Maar wat als het wel waar was? Althans, het gedeelte dat een comapatiënt wel meekrijgt wat er om hem heen gebeurd? En Karel stond daar alleen, niemand om mee te praten. Terwijl ik hier in de gang was. Ik stond op en opende voorzichtig de deur. Binnen zag ik het uiteinde van een bed. Karel zat op het voeteinde, zijn hoofd gebogen. In de kamer veel kaartjes maar geen bloemen. Het leek erop dat de zieke er al een tijdje lag, zijn bezoekers noodgedwongen niet meer dagelijks kwamen.

Ik ging naast Karel zitten. Hij had een traan in zijn ooghoek. Karel, het komt wel goed. Zolang jij hem op komt zoeken, heeft hij een reden om te leven. Karel snikte. Hij stond op en draaide zich om. Hij schreeuwde naar me. Word nou eens wakker idioot! We zijn samen alleen en ik ben het beu!

Ik keek hem aan, maar Karel keek dwars door me heen. Ik draaide me om en schrok. Daar lag ik, mijn lijf althans. Ineens besefte ik dat ik al die tijd diegene was die Karel kwam opzoeken. Dag in, dag uit. En ik wilde het niet zien, niet weten. Ontkenning en nu was het tijd om wakker te worden. Letterlijk en figuurlijk. 

Deze verzonnen herinnering hoort bij de reeks Verzinneringen.

Geef een reactie