Ik zat vroeger op een kleine basisschool in hartje Geldrop. Hoewel Geldrop ook weer niet het kleinste Brabantse dorpje is, en was, in een klein klasje van maar zeven leerlingen. Ik heb het zelf niet meer meegekregen, maar tot kort daarvoor werd er ook nog les gegeven door broeders. Eentje had nog wel een eigen plek op de zolder van het gebouw aan de Heilige Geeststraat, waar hij tussen de stencil- en andere apparaten gebouwen van papier namaakte.
Enfin tegenover de school was een oude fabriek waar in 1983 het Weverijmuseum zijn plekje vond. Als leerling kregen we daar ook een keer een rondleiding. De geur van machineolie, het harde geluid van de aandrijving, het schieten van de klossen, dat vergeet je niet snel. Niet vergeten was ook de reden dat het museum er was: Geldrop was vroeger bekend vanwege de textielindustrie. De naam van het dorp met carnaval herinnert daar nog aan, Lampegat, evenals vele straatnamen zoals het Volmolenplein, Spoelstraat en meer in Braakhuizen Noord. Dat bezoekje zal dan geweest zijn toen ik 11 of 12 jaar oud was. Nu ik ruim 30 jaar later weer in Geldrop woon, of beter gezegd, Zesgehuchten, werd een wel eens tijd voor een nieuw bezoek.
Het Weverijmuseum is in 2000 verhuisd naar een andere oude textielfabriek midden in het centrum, die van Firma A. van den Heuvel en Zoon: de muren daarvan erg herkenbaar voor elke Geldroppenaar, tegenover de plek waar ooit het Postkantoor stond. Tijdens Glow 2020 nog een mooie plek voor wat foto’s.

Als je dan dwaalt door het museum en wat foto’s en tekeningen ziet van die tijd voor 1980, besef je je pas hoe groot die textielindustrie was. Bijzonder dat eigenlijk alleen deze fabrieksmuren nog overeind zijn gebleven. Ja, er zijn wat mooie villa’s van de directeuren en andere plekken waar je tijdens een wandeling meer over kunt ontdekken – wist je dat de coöperatieve Boerenleenbank, nu Rabobank in Geldrop is opgericht? – maar geen grote, oude fabriekshallen meer.
Behalve dan deze natuurlijk. Het gebouw is nu een complex met ook cultuur en horeca: de Weeffabriek. What’s in a name. Bij binnenkomst in het museum zelf zie je al meteen wat bijzonders rechts achter glas: de raderen van de volmolen. Het is wel een replica, maar niettemin indrukwekkend vanwege de omvang. Hier komen wel wat vage herinneringen terug over de waterstroom door betonnen bakken wat het vroeger was, toen er geen molen meer te bekennen was. Net zoals nu het Postkantoor tegen de vlakte, wie weet komt daar over 30 jaar ook weer een replica van. Meer nostalgie in de korte introductiefilm van een paar minuten in een klein filmzaaltje.

Draden van ons Nederlandse Slavernijverleden
In de tweede hal, normaal met meer tekst en uitleg over het weven en verleden, was nu iets bijzonders te zien: het enorme wandkleed ‘Draden van ons Nederlandse Slavernijverleden’. Dit project van Victor Sonna is verbeeld de verwevenheid van de geschiedenis van de provincie Noord-Brabant met het Nederlandse slavernijverleden.
Die verbinding zit in meer dan alleen de verschillende weeftechnieken en het verhaal: het wandkleed is de afgelopen maanden ook samen met Brabanders gemaakt op vele plekken door de provincie. Ook een deel daarvan kwam tot stand in het Weverijmuseum zelf, waar de aanwezige vrijwilligers graag ook een toelichting over geven, als aanvulling op de tekst en videobeelden aanwezig.
Fabriekshal vol machinale weefgetouwen
Op de deuren naar de volgende, grootste hal een waarschuwing. Oordopjes verkrijgbaar bij de kassa. Da’s niet voor niks, want hier staan enkele grote weefmachines. De vrijwilligers vertellen je ook hier graag over de werking. En grijpen ook graag de kans om het te demonstreren. Daarmee zie je pas echt hoe het werkt. Schering, inslag. De woorden die je kent uit spreekwoorden, ze komen uit deze industrie. Het gaat van houten, handmatige weefgetouwen naar imposante jacquardgetouwen waarmee patronen geweven konden worden in een onmenselijk tempo. En geluid.












